Inleiding

De dichter Robert Desnos schreef in zijn dagboek op 8 februari 1944 de volgende regels:

“Wat ik hier of elders schrijf zal in de toekomst zonder enige twijfel maar een paar nieuwsgierigen – verspreid over de jaren – interesseren. Om de vijfentwintig of dertig jaar zal men in vertrouwelijke publicaties mijn naam en een paar fragmenten uit mijn werk, steeds dezelfde, naar voren brengen. De gedichten voor kinderen zullen iets langer overleven dan de rest. Ik behoor toe aan het hoofdstuk van de beperkte belangstelling. Maar die zal langer duren dan veel van huidige schrijfsels”.

Desnos toonde aan over een lucide inzicht ten aanzien van zijn eigen werk te beschikken: zijn bange vermoeden is werkelijkheid geworden. Desnos’ werk wordt in Frankrijk weliswaar gerespecteerd maar heeft nimmer aanspraak kunnen maken op het voetstuk waarop bijvoorbeeld het oeuvre van Paul Eluard is gezet. Het is tekenend dat zowel Eluard als André Breton zijn opgenomen in de Pléiade-serie van Gallimard, maar dat Desnos ontbreekt.

In Nederland is de situatie nog veel beschamender. Vrijwel zijn totale oeuvre is onvertaald en slechts een handjevol mensen is bekend met zijn romans, gedichten en essays.

De opstand

Robert Desnos werd op 4 juli 1900 in Parijs geboren. Hij groeide op in de buurt van de Parijse Hallen, waar zijn vader wild en gevogelte verhandelde. In zijn werk verwijst Desnos regelmatig naar deze volksbuurt. Hoewel zijn jeugdherinneringen vaak zonnig gekleurd zijn, komt hij al vroeg in opstand tegen het kleinburgerlijke milieu van zijn ouders. Zijn vader wil dat zijn zoon hem opvolgt in de handel. Hij brengt Robert de daarvoor benodigde waarden bij: werken, sparen, familie, religie en vaderland. De Eerste Wereldoorlog zou het belang van deze waarden nog eens aanscherpen, ze zorgden immers voor de overwinning.

Desnos koestert al vroeg een grondige weerzin ten aanzien van deze mentaliteit. Op de middelbare school is hij een slechte leerling. De lessen interesseren hem niet en het patriottisme dat de leerlingen wordt ingeramd, staat hem tegen. In 1916 besluit hij dat het genoeg is geweest en verlaat hij de middelbare school. Zijn ouders stellen hem voor de keuze: of zich conformeren en zich schikken in de familiesituatie, of het maar in zijn eentje zien te redden. Hij kiest voor het laatste, de onafhankelijkheid, de vrijheid. Vanaf 1917 zal hij verschillende baantjes hebben: bediende bij een drogisterij, vertaler van farmaceutische brochures en uiteindelijk, in 1919, secretaris van journalist en schrijver Jean de Bonnefon. Dit leven gaf hem de vrijheid om te kunnen dromen, om de boeken te lezen die op school niet waren toegestaan: Hugo, Rimbaud, Apollinaire en Baudelaire. Dit waren zijn favoriete schrijvers, maar daarnaast las hij vooral ook avonturenromans, de Fantomas-verhalen en wat we nu stripboeken noemen. In de gedichten die hij aan het eind van de jaren twintig en begin jaren dertig schreef, is de invloed van deze lectuur duidelijk zichtbaar. In feite heeft Desnos zich zijn cultuur zelf eigen gemaakt.

De keuze voor de onafhankelijkheid geeft hem ook de vrijheid om zijn eigen vrienden te kiezen. Hij kiest deze bij voorkeur uit het anarchistische milieu dat ook door Benjamin Péret en Roger Vitrac wordt gefrequenteerd. Via hen komt hij, als vanzelf, in aanraking met de avantgardistische kunstkringen. Péret laat hem Dada ontdekken en stelt hem voor aan André Breton. Helaas voor de dichter wordt hij in 1921, op het moment dat Dada losbarst, opgeroepen voor militaire dienst.

Terwijl hij in Marokko zijn dienstplicht vervult, is het Dada-vuur in Parijs hoog opgelaaid. Breton heeft samen met een aantal gelijkgestemden het tijdschrift Littérature opgericht waarin hij zijn lezers oproept om alle vaste waarden en mythen te laten vallen. Wanneer als logisch vervolg op Dada het surrealisme ontstaat, is Desnos weer terug in de hoofdstad. Dankzij Péret treedt hij toe tot de groepering, en neemt op uitbundige wijze deel aan alle experimenten. Écriture automatique, hypnose of droomduiding, niets is hem te gek. Hij groeit uit tot het medium van de groep. Terwijl hij slaapt, komt hij met aforismen te voorschijn die gebruik maken van alle mogelijkheden die de taal biedt. Uit deze experimenten is de serie Rrose Sélavy ontstaan. Zowel voor Desnos als voor de andere surrealisten staan de jaren 1922 en 1923 in het teken van het taalexperiment. In de gedichten uit deze periode bouwt hij als het ware een laboratorium waarin hij alle mogelijkheden van de taal onderzoekt.

Desnos was steeds bereid om –gedreven door nieuwsgierigheid en levenslust– zich met het hoofd vooruit ergens in te storten. Met zijn gevoel voor het verkennen van grenzen, zijn eigen en die van anderen, zou hij heel goed aan een verslaving ten prooi kunnen zijn gevallen. Hij wist echter steeds de controle over zijn leven te bewaren en het mogelijke gevaar vroeg te onderkennen. Zo waarschuwt hij in zijn roman Le vin est tiré uit 1943 voor de gevaren van een verslaving aan drugs. Een boek dat eigenlijk twintig jaar te vroeg verschenen is, en een veel grotere impact zou hebben gehad wanneer het en plein hippietijd was uitgekomen, dan had het een mooie waarschuwing kunnen zijn voor al die te vroeg gestorven grote kinderen.

In de bloeiperiode van het surrealisme groeit Robert Desnos uit tot de kroonprins van de beweging. Vooral met zijn vermogen tot het verkennen van zijn onderbewuste leverde hij een belangrijk aandeel in het ontstaan van het surrealistische beeldenrijk. In het eerste surrealistische manifest van november 1924, looft verlichte vorst André Breton zijn bijdrage dan ook uitbundig:

‘Robert Desnos is onder ons wellicht degene die de surrealistische waarheid het dichtst genaderd is. Hij rechtvaardigt in nog onuitgegeven werken en tijdens vele experimenten waaraan hij zich heeft onderworpen, volop de hoop die ik op het surrealisme heb gevestigd en gebiedt me om er nog veel meer van te verwachten. Tegenwoordig spreekt Desnos surrealistisch wanneer hij maar wil. Zijn wonderlijke behendigheid om mondeling zijn gedachten te volgen, geeft ons schitterende betogen zoveel wij willen. Aangezien Desnos beter te doen heeft dan deze vast te leggen, gaan die teksten verloren. Hij leest zichzelf als een open boek en doet niets om de bladen vast te houden, die wegwaaien in de wind van zijn leven.”

Met deze lof –hoe mooi ook– werd Desnos eigenlijk op een zijspoor gezet. Het kunstje is belangrijker dan de tekst die het oplevert. Niet de dichter wordt hier geëerd, maar de beweging waaraan hij een bijdrage levert. Het verfijnde zit hem in het ‘zoveel wij willen’. Zolang Breton het goed vindt, mag Desnos doorgaan met zijn droomseances, maar wanneer deze er schoon genoeg van krijgt, verbiedt hij hem er nog langer mee door te gaan. De relatie tussen Desnos en de kunstpaus zou hierdoor op een laag pitje komen te staan.

De vrijheid of de liefde

In 1927 tekent Desnos voor de eerste surrealistische roman La liberté ou l’amour. De uitbundige beelden in de roman wijken niet veel af van die in de gedichten van Desnos. In een vrije structuur jaagt de schrijver zijn favoriete thema’s na: de liefde, de vrijheid, de revolte. De opstand is voor Desnos een vanzelfsprekend gegeven. Dit blijkt onder andere uit het volgende fragment:

“Het doel? Maar dat is de wind zelf en de storm. Ze blijven ongrijpbaar en logisch, ongeacht het landschap dat ze overhoop gooien. De mens, die de zeilen van schepen heeft gebaseerd op hetzelfde principe als dat van de tornado, is een imbeciel wanneer hij de schipbreuk minder logisch vindt dan de navigatie.”

Let wel, wind staat hier voor de mens en het schip voor de samenleving. Navigatie kan dan worden gelezen als het besturen van de mens in een samenleving, terwijl de tornado de revolutie is die kan leiden tot de schipbreuk van de samenleving. Wie ooit ook maar een paar pagina’s in deze roman heeft gelezen, zou de naam van de auteur niet meer mogen vergeten.

Vooral de vrijheidsdrang van Desnos is volgens mij door Breton onderschat. Wanneer Breton in 1927 aansluiting zoekt bij de communistische partij, stuit dit voornemen op groot verzet van Desnos. Dit zou een breuk betekenen, die pas bij het tweede surrealistische manifest definitief wordt. In een tekst uit 1927 stelt hij toetreding als volgt voor:

“Ik kan me niet voorstellen dat je op een andere manier kunt toetreden dan je van tevoren al volledig te onderwerpen aan elk gebod en te besluiten om je mond te houden tegenover de wil van de meerderheid”

Deze onderworpen houding is vanzelfsprekend onacceptabel voor Desnos. Zijn karakter leent zich niet voor de politiek. Tactiek, de te volgen lijn, de onderwerping aan besluiten waar men het niet altijd eens kan zijn, het afwegen van voors en tegens; het zijn zaken die iemand die intuïtief reageert, niet liggen. Hij verwerpt iedere beperking die hem wordt opgelegd. De individuele vrijheid was voor hem van levensbelang. Wat dat betreft spraken de anarchistische levenshouding en de individuele actie hem veel meer aan. Dit blijkt ook uit twee anecdotes die hem een zekere beroemdheid hebben gegeven.

Klappen

Op 11 december 1922 woonden een aantal surrealisten de toneelvoorstelling van Locus Solus van Raymond Roussel bij. De schrijver stond in zeer hoog aanzien bij de surrealisten en werd gezien als een schrijver die als het ware het surrealisme had voorvoeld. De mysterieuze werkelijkheid in de romans van Roussel die in niets overeenkomt met de realiteit, niet in tijd, niet in ruimte en zelfs niet psychologisch, zal Desnos hebben aangesproken. Maar bovenal droeg het spel dat Roussel met de taal speelde zijn grote waardering.

De toneelvoorstellingen die Raymond Roussel organiseerde op basis van zijn romans waren in de ogen van het publiek een totale flop. Breton, Aragon en Desnos gaven echter gedurende de hele voorstelling blijk van hun enthousiasme, tot grote irritatie van het overige publiek. Het liep uit op een grote rel waar de politie aan te pas moet komen om de zaal te ontzetten.

Bij de voorstelling van l’Etoile au front, in 1924, zijn de surrealisten wederom in de zaal aanwezig om steun te betuigen aan de geplaagde auteur. Weer reageert het publiek furieus. Men voelt zich beetgenomen door Roussel, en verdenkt de schrijver ervan dat hij een aantal mensen heeft ingehuurd om de voorstelling luidkeels toe te juichen, om als ‘claque’ aanwezig te zijn. De ongekende rijkdom van Roussel was immers vermaard. Op een gegeven moment hield een toeschouwer zich niet langer in en schreeuwde in de richting van de surrealisten: “Hardi la claque” (zoiets als: knap gedaan, claque). Een opmerking die Desnos onmiddellijk pareerde met de kreet:

“Nous sommes la claque et vous êtes la joue.”

Roussel zou hem lange tijd erkentelijk zijn voor deze woordspeling, waarmee Desnos het nodige succes oogste en die in een aantal kranten wordt geciteerd. De reactie van Desnos wordt wel eens gezien als een grap, een doelbewuste provocatie, maar zijn waardering voor het werk van Roussel, net als zijn woede, waren, getuige een serie artikelen, oprecht.

Een tweede episode waarin zijn opvliegende karakter, zijn durf en zijn gevoel voor onrecht in het geding komen, speelt zich af in 1927. In dat jaar houdt een Franse geestelijke, met de toepasselijke naam Abbé Louis Bethléem, een kruistocht tegen erotische en andere pulplectuur. Samen met een aantal geloofsgenoten trekt hij langs Parijse kiosken om daar de in zijn ogen ‘foute’ geschriften te verwijderen en te verscheuren. Desnos kon deze schending van de individuele vrijheid niet op zich laten zitten en reageerde met Henri Jeanson, een bevriende journalist, op passende wijze. Op een ochtend trokken ze ten aanval tegen een boekhandel aan de Place Saint-Sulpice, een boekhandel gespecialiseerd in vrome geschriften. Daar verscheuren ze kranten, boeken en ansichtkaarten. In een krantenartikel uit 1929 haalt Desnos herinneringen op aan zijn hilarische kruistocht:

“En ik zie het winkeltje op de Saint-Sulpice dat we hebben geplunderd weer voor me. Terwijl de kranten en de ansichtkaarten in de goot lagen, zei de verkoopster, Mme Schmidt tegen ons:
- Wat jammer, ik had net achterin de winkel een oude voorraad liggen die geknipt voor u was!
Het moeilijkste was om ons te laten arresteren.
- Ik heb niemand om op de winkel te passen, zei de verkoopster, ik kan niet op zoek gaan naar agenten.
- Laat dat u niet in de weg staan, antwoordden wij, wij passen er wel op.
En zo geschiedde”

De hele zaak eindigde met een heuse rechtzaak, waar Desnos en zijn handlanger werden veroordeeld tot het betalen van een boete van elf francs.

De breuk

Bretons verbod op de droomseances en Desnos’ weigering om zich aan te sluiten bij de communistische partij, zorgden voor een verwijdering tussen de surrealisten en de dichter. Doorslaggevend voor de breuk waren Desnos’ talrijke journalistische activiteiten.

Het journalisme stond in een slecht daglicht bij de surrealistische denkers. Hier en daar een artikel publiceren om de doelen van de beweging nog eens uit de doeken te doen, was geoorloofd, maar een reguliere bijdrage was uit den boze. Wanneer een schrijver voor langere tijd verbonden zou zijn aan een krant of tijdschrift, zou hij ten prooi vallen aan de zucht naar bekendheid en niet meer oprecht voor zijn mening kunnen uitkomen. Deze angst voor de kwade invloed van de pers is overigens niet iets dat alleen geldt voor het surrealisme. In de roman Illusions perdues van Balzac uit 1837 komen we dezelfde angst tegen.

Desnos ervoer deze uitsluiting als zeer pijnlijk. Het podium waarop hij volwassen was geworden, was hij kwijt. Het is opmerkelijk dat Desnos in 1929 in een artikel getiteld “De huurlingen van de opinie”, het journalisme frontaal aanviel. Daarmee ondertekende hij volgens Breton zijn eigen veroordeling. Desnos stelde in dit artikel dat hij altijd een totale vrijheid van meningsuiting zou weten te behouden en dat hij nooit zou zwichten voor de macht van het geld. Het zou ook niet passen binnen het karakter van de dichter dat hij een mening neer zou pennen, zonder er achter te staan. Zelfs tijdens de Duitse bezetting kwam hij ronduit voor zijn mening uit. Het zou hem uiteindelijk zijn leven kosten. Naast diverse publicaties waarin hij tegen de bezetter ten strijde trekt, is hij betrokken bij de verzetsgroepering Agir. Op 22 februari 1944 wordt hij in zijn woning aan de Rue Mazarine gearresteerd en op transport gezet naar een hele serie concentratiekampen.

Les ténèbres

De vertalingen van de gedichten die elders in dit nummer te vinden zijn, komen alle uit de bundel Corps en biens, uit 1930. Sterker nog: alle gedichten maken deel uit van de serie van vierentwintig gedichten getiteld Les ténèbres, geschreven in 1927.

Voor een goed begrip van deze gedichten moet de lezer op de hoogte zijn van de liefde die de dichter koesterde voor music-hall ster Yvonne George. Na een bezoek aan het Olympia in 1925 was de dichter verkocht. Haar stem deed volgens Desnos, de toeschouwer bewust worden van zijn lafheid op het gebied van de liefde, van de niet te tolereren afwezigheid van het pathetische in het leven. De zangeres belichaamde voor de dichter de suprematie van de liefde over de moraal. Zijn passie voor haar zou tien jaar stand houden, tot aan de dood van de zangeres en de ontmoeting van Desnos met Youki, een in die tijd befaamd schildermodel. Zij slaagt er uiteindelijk in om de haast mythische plaats van Yvonne George in het leven van de dichter in te nemen. De zangeres zou de passie die Desnos voor haar koesterde nooit delen. In de serie gedichten van Les ténèbres en die van de serie die hieraan voorafgaat, A la mystérieuse van 1926, is zij echter de vrouw die bezongen wordt. Zij is de vrouw die de dichter bij zich roept in het openingsgedicht, De stem van Robert Desnos, de vrouw die nooit luistert of antwoordt. Overigens schreef een vriend van Desnos, Théodore Fraenkel:

“Voor een man die zich in zijn leven zo liet leiden door de liefde, heeft hij bijzonder weinig avontuurtjes gehad”

Maar het is niet alleen de liefde die centraal staat in deze gedichten. Voor alles is het de poëzie van de stem. De stem van de dichter die in een délire de wereld van zijn dromen en zijn obsessies schetst. Niet voor niets komen de werkwoorden ‘roepen’, ‘spreken’ en ‘zeggen’ in bijna alle gedichten van de serie terug.

Het is opvallend wanneer een dichter zijn naam in zijn gedichten noemt. Robert Desnos laat zijn naam niet één keer maar meerdere keren terugkomen in zijn gedichten. Hij was zeer gevoelig voor zijn eigen naam. Dit blijkt ook uit de volgende scene. Wanneer hij in 1945 na een eindeloze omzwerving langs concentratiekampen in een ziekenhuis in Theresienstadt op sterven ligt, wordt hij daar herkend door een Tsjechische medicijnenstudent. Deze ziet de naam van Robert Desnos op de lijst van zieken en meen een overeenkomst te zien tussen het gelaat van de zieke en een foto van de dichter in Nadja van Breton. Hij loopt naar het ziekbed van de dichter en vraagt hem: “Kent u de dichter Robert Desnos”, waarop deze zich met moeite opricht en de woorden spreekt: “Le poète Robert Desnos, c’est moi!”. Niet lang hierna, op 8 juni 1945, zou Robert Desnos overlijden.

De lyriek

De thematiek van de poëzie van Desnos, de beelden en stijlfiguren behoren toe aan de wereld van het surrealisme. Maar het eigene van zijn poëzie is de lyriek. Wanneer men de verzen van The Night of Loveless Nights uit 1930 hardop voorleest, komt men al snel in de buurt van het lied. Veel van zijn verzen zouden met weinig aanpassingen dienst kunnen doen als songteksten. Dit lyrische ligt in de herhaling van strofen, als het ware het refrein van het liedje, in de rijm en het ritme, maar zeker ook in de woorden. Een zin “J’ai tant rêvé de toi” uit 1926 of de tekst van het gedicht “C’était un bon copain” zouden gezongen door Marco Borsato of Jacques Brel in miljoenen exemplaren verkocht worden.

Gevoel voor lyriek blijkt ook uit de grote liefde die Robert Desnos had voor muziek. In de vele kranten en tijdschriften waar hij voor geschreven heeft, bekleedde hij vaak de functie van muziekrecensent. Wanneer hij in 1926 als vertegenwoordiger van de Argentijnse pers een reis naar Cuba maakt, keert hij dan ook terug met een serie platen vol rumbaklanken. Vanaf december 1932 gaat Desnos werken voor de Franse radio. Hij werkt voor een organisatie die reclameslogans bedenkt en radiouitzendingen verzorgt voor alle mogelijke producten. In dit werk schept hij een groot genoegen. Aangezien de radio nog in de kinderschoenen staat, is de vrijheid van handelen groot. Hij krijgt ruim baan om zijn verbale virtuositeit tentoon te spreiden. In het nawoord van de bundel Etat de veille schrijft hij:

“Met passie stortte ik me op dit werk dat haast mathematisch was, maar tegelijkertijd ook intuïtief, wat betreft de aanpassing van de woorden aan een melodie, het bedenken van zinnen, uitdrukkingen en publicitaire leuzen. Werk waarbij een terugkeer naar het ritme vereist was.”

Later zou Desnos op dagelijkse basis samen met nog een aantal anderen een half uurtje voor de radio verzorgen. In dit half uur kwam van alles aan de orde: beeldende kunst, muziek, literatuur, wetenschappelijke informatie, anekdotes, en ga zo maar door.

Legendarisch is een uitzending die Desnos in 1938 verzorgde: La clef des Songes, waarin hij de dromen van de luisteraars uitlegde volgens een antieke sleutel. Desnos had de sleutel wat gemoderniseerd en bijvoorbeeld de strijdkar vervangen door de auto. Het doel van de uitzending was het blootleggen van een collectief bewustzijn, een doel dat niet gehaald werd omdat het individuele bewustzijn velen malen sterker was dan het collectieve.

Maar niet alleen de radio was de plaats waar hij probeerde om woorden en muziek te verenigen. Hij werkte samen met componisten als Francis Poulenc en Darius Milhaud. De samenwerking met de laatste resulteerde in 1937 in de Cantate pour l’Inauguration du Musée de l’Homme. De dichter had zijn podium teruggevonden.

Bekendheid

Over het leven van Robert Desnos zijn vele anekdotes te vertellen. Mooie verhalen die tekenend zijn voor het enthousiaste en opvliegende karakter van Desnos. Tegelijkertijd werpen deze verhalen een haast niet te nemen hindernis op. Er is te veel gebeurd in zijn leven en deze gebeurtenissen herinner je je als lezer eerder dan scènes uit zijn romans of beelden uit zijn gedichten.

Ten slotte, om een voorbeeld te geven van het lyrische in de gedichten van Desnos, een vertaling van een fragment uit het lange gedicht Siramour uit 1942. Voor mijn part noemt u het sentimentele poëzie, het blijft een prachtig gedicht om afscheid mee te nemen:

Zeg voor mij gedag aan het meisje van de brug
aan het kleine meisje dat van die mooie liedjes zingt
aan mijn boezemvriend die ik heb verwaarloosd
aan mijn eerste minnares
aan hen die haar je weet wel hebben gekend
aan mijn echte vrienden en zul je gemakkelijk herkennen
aan mijn zwaard van glas
aan mijn sirene van was
aan de monsters aan mijn bed
Wat jou betreft waar ik meer dan wat ook ter wereld van hou
Ik zeg je nog geen gedag
Ik zal je weer zien
Maar ik ben bang dat ik je nog maar even kan zien